Sport kan zich niet rijk rekenen met overheidsgeld
Poul Annema
In de nota ‘Sport 70’ benadrukte de Nederlandse sport 35 jaar geleden dat de overheid er niet meer aan kon ontkomen om zich daadwerkelijk met het explosief groeiende fenomeen te bemoeien. Sport was geen zaak meer van een paar enthousiastelingen, maar ontwikkelde door zijn bindende kracht tal van maatschappelijke stromingen en vernieuwingen.
De nota leidde tot de benoeming van de eerste staatssecretaris van Sport en Recreatie, Henk Vonhoff. De Groningse zwaargewicht wist wat hem te doen stond. ‘Door de sociale ontwikkeling is de waarde van sport ontdekt’, zei hij bij zijn ambtsaanvaarding. Hij voorzag dat de toenemende vrijetijdscultuur de behoefte om meer te bewegen zou blijven aanwakkeren.
Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de onlangs door de huidige staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp gepresenteerde nota ‘Tijd voor Sport’. Opnieuw zijn daarin het maatschappelijke nut van sport en de noodzaak van een actievere samenleving beschreven. Bewegen helpt, zo staat vast, om lichamelijke vervetting tegen te gaan en de sport biedt een ideaal platform om een versnipperde samenleving in eenheid van denken en doen bij elkaar te brengen.
De overheid is bereid flink te investeren in sport. Om het enthousiasme voor bewegen aan te moedigen en de kansen op een geslaagde integratie te vergroten, maakt de staatssecretaris het komend jaar 95,8 miljoen euro vrij.
In vergelijking met de 70 miljoen die de sport het jaar ervoor mocht opstrijken, is dat een sensationele vooruitgang. Niet eerder vloeide er zo veel geld uit de overheidskas naar de sport. Niet eerder ook werd in Den Haag zo veel nadruk gelegd op de rol die de sport als verbindingselement in een verbrokkelende en door welvaartsziekten bedreigde maatschappij kan spelen.
Dat is na jaren van bezuinigen flinke winst voor de sport in het algemeen en voor bonden en verenigingen in het bijzonder. Zij zijn in de nieuwe Sportnota aangewezen als de pilaren van kracht op weg naar een vitale en gezonde samenleving.
Desondanks is er in de boezem van de Nederlandse sport, NOC*NSF, niet louter positief gereageerd op de in het kabinet afgekondigde Nieuwe Zomer. Voorzitter Erica Terpstra betitelde het werk van de staatssecretaris als ‘een doelennota’. Directeur sport, Marcel Sturkenboom, hield het op ‘een beweegnota en geen Masterplan’.
Het grootste bezwaar van de beleidsmakers uit Papendal is dat de sport naar de opvatting van het kabinet te veel wordt gepolitiseerd en dat er te weinig waarde wordt toegekend aan de typische kenmerken van sportbeleving. Sport is opeens geen sport meer zoals die zich uit in uitdagingen, spanning en plezier, maar vooral een middel om politieke doelen te realiseren. Daarbij wordt een hoge verantwoordelijkheid gelegd bij de clubs en hun vrijwilligerskorps.
Van de sportverenigingen wordt verwacht dat ze bruggen slaan naar het onderwijs. Kinderen moeten op school het plezier in sport ontdekken en vervolgens instromen bij de clubs die hen met deskundig kader en adequate begeleiding in staat stellen om een ‘leven lang te sporten’.
Tegelijkertijd moet via de sport de integratie tot stand komen, die tot dusver zo moeizaam van de grond komt. Het is de vraag of de sport die uitdaging aankan zolang de uitvoering van de plannen vooral afhankelijk is van de vrijwilligers-inzet.
Twee jaar gelden heeft de sportkoepel NOC*NSF zelf al het initiatief genomen om middels de SportAgenda 2008 te streven naar gerichte professionalisering teneinde de sport efficiënter te organiseren. Om te komen tot de resultaten die de overheid met ‘Tijd voor Sport’ voor ogen staat, biedt het lidmaatschap van de sportvereniging de beste garantie, zo blijkt uit een onderzoek van TNO.
Als de steun zich beperkt tot de twintig best functionerende sportbonden, zoals is voorgesteld, dreigt het gevaar van een tweedeling, waarbij er weinig perspectief is voor sport in de midden- en onderlaag.
De roep om nieuw ondersteunend kader – voorheen de door de overheid gesubsidieerde STK’ers – van NOC*NSF gaat samen met de belofte van Erica Terpstra. Op het moment dat staatssecretaris Ross-Van Dorp aankondigde dat in vijf jaar tijd de beweegnorm (een half uur bewegen per dag) van 60 naar 65 procent moet stijgen, zei de voorzitter van NOC*NSF ‘dat de lat nog wel wat hoger mag worden gelegd’. Maar dan, zo zei ze erbij, moet er niet alleen in het veld, maar ook aan de basis worden geïnvesteerd.
De 29 duizend Nederlandse sportverenigingen kunnen de straks met veel overheidsgeld op gang gebrachte motor van de sport alleen draaiende houden als hun vrijwilligers kunnen rekenen op de deskundigheid van professioneel kader. De sport kan zich met de nieuwe geldstroom niet rijk rekenen zolang de benodigde infrastructuur, waarin de maatschappelijke doelen het beste tot hun recht komen, ontbreekt.
(Volkskrant, 2005 wk 047)