Na
invoering van het Zwem-ABC heeft de NRZ het voornemen kenbaar
gemaakt om de Zwemvaardigheidsdiploma's te evalueren.
In 2001 werd het evaluatieonderzoek Zwemvaardigheidsdiploma's
uitgevoerd. Op basis van deze resultaten heeft de CTAD (Commissie
Technische Adviezen Diplomazwemmen) voorstellen tot aanpassing
gedaan.
Deze
gewijzigde voorstellen treft u bijgaand aan.
Zwemvaardigheidsdiploma's
per 01-01-2004
De structuur ziet er als volgt uit:
- 3
Zwemvaardigheidsdiploma's
- 3
diploma's Snorkelduiken
- 3
diploma's Survival
- 3
diploma's Kunstzwemmen
- 3
diploma's Balvaardigheid
- 3
diploma's Aquasportief voor kids
- 3
diploma's Springen
De inhoud
van de drie Zwemvaardigheidsdiploma's is breder gemaakt.
De brede leerlijn van het Zwem-ABC wordt hierin doorgetrokken.
Na deze drie Zwemvaardigheidsdiploma's wordt de inhoudelijke
leerlijn vervolgd met 6 soorten specifieke diploma's. Deze
specifieke Zwemvaardigheidsdiploma's bestaan elk uit drie
zelfstandige diploma's.
Er komen dus in totaal 21 Zwemvaardigheidsdiploma's.
BREZ
Voor de bepalingen, richtlijnen en technische toelichting
betreffende de 3 Zwemvaardigheidsdiploma's verwijzen men
naar de bestaande BREZ. Soms was er een kleine aanvulling
noodzakelijk, deze is in cursief toegevoegd aan de tekst
van het examenprogramma.
Voor de 6 specifieke diploma's zullen er waarschijnlijk
wel aanpassingen noodzakelijk zijn in de BREZ.
Overgangsperiode en planning
van de veranderingen
Er gaat niet gewerkt worden met speciale pilots. Elke organiserende
instantie kan meedoen en zal na verloop van tijd gevraagd
worden naar de ervaringen.
Enige tijd zal er voor de nieuwe Zwemvaardigheidsdiploma's
én de bestaande diploma's kunnen worden opgeleid.
Dit geeft grote voordelen voor de opleidende instanties,
hiermee kan men kiezen of men in een keer of geleidelijk
wil overschakelen op de nieuwe Zwemvaardigheidsdiploma's.
Nadere
informatie
Uiteraard zal de NRZ u door middel van Nieuwsbrieven op
de hoogte houden. Als u vragen of opmerkingen heeft, neem
gerust even contact met hen op. U kunt bellen of mailen
met Mariska Hol (040 2553536 of nrz.mariska@hetnet.nl)
of Gert Wijnholts (0593 523948 of nrz.wijnholts@hetnet.nl).
Examenprogramma's
Zwemvaardigheidsdiploma 1,
2 en 3
ZWEMVAARDIGHEID 1

Gekleed zwemmen
ZI 1.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met sprong naar keuze (helemaal onder water gaan); na het boven water komen aansluitend
Z1 1.2 al watertrappend, van een (meegenomen of
toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee
30 seconden blijven drijven; aansluitend
ZI 1.3 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZI 2.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven water te komen)
ZI 2.2 onder water oriënteren en onder water zwemmen
door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat
zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt; vervolgens
schoolslag tot 25 meter, daarna
ZI 2.3 50 meter enkelvoudige rugslag, 2 keer onderbroken door een koprol achterover,
ZI 2.4 50 meter schoolslag, 2 keer onderbroken door:
ZI 2.4.1 onder een vlot in de lengte (minimaal 1,5 meter) door zwemmen;
ZI 2.4.2 vervolgens erop klimmen en aan de tegenoverliggende kant eraf gaan;
ZI 2.4.3 wederom onder het vlot door zwemmen;
ZI 2.5 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZI 3.1 Tweetallen. Een deelnemer die in het water ligt met behulp van een flexibeam of lesplankje naar de kant trekken.
N.B. Het kledingpakket is: badkleding T-shirt, blouse of hemd met lange mouwen lange broek (lange broeken die naadloos aansluiten op de huid zijn niet toegestaan) schoenen (plastic, leren en sportschoenen zijn toegestaan; schoenen zonder echte zool zijn niet toegestaan).
ZWEMVAARDIGHEID
1
In badkleding
ZI 4.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 150 meter schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt.
ZI 5.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 25 meter samengestelde rugslag.
ZI 6.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 25 meter borstcrawl.
ZI 7.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok) met wedstrijdstart, gevolgd door 25 meter rugcrawl.
ZI 8.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 8 meter (beginners)vlinderslag.
ZI 9.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok,
met een sprong naar keuze; een aantal slagen schoolslag
zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een
hoekduik en daarna het aantikken van drie pilonnen, die op
een onderlinge afstand van 2 meter minimaal 2 meter onder
het wateroppervlak zijn opgesteld.
ZI 10.1 In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd; proef afronden met een gehurkte draai (360°).
ZI 11.1 In het water, met tweetallen, 4x de bal werpen.
ZI 12.1 Starten in het water, 10 meter polocrawl zwemmen.
ZI 13.1 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen.
ZWEMVAARDIGHEID 2

Gekleed zwemmen
ZII 1.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong voorwaarts (helemaal onder water gaan); na het boven water komen aansluitend
ZII 1.2 al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen) plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 1 minuut blijven drijven; aansluitend
ZII 1.3 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZII 2.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven water te komen)
ZII 2.2 onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, waarna (zonder boven water te komen) een pilon op 12 meter (van de startkant) wordt aangetikt; vervolgens schoolslag tot 25 meter; daarna
ZII 2.3 50 meter enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door een koprol voorover en een koprol achterover, daarna
ZII 2.4 50 meter schoolslag, waarbij 1 keer het volgende onderdeel wordt uitgevoerd met tweetallen:
ZII 2.4.1 deelnemer A en B zwemmen naar elkaar toe, deelnemer A legt de handen op de schouders van deelnemer B en duwt deze even onder water terwijl hij/zij er overheen zwemt. Deelnemer B zwemt onder deelnemer A door;
ZII 2.5 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZII 3.1 Tweetallen. Vanaf de kant met een hurksprong te water gaan met een flexibeam of lesplankje in de hand, vervolgens de kant vastpakken, flexibeam of lesplankje laten vastpakken door de deelnemer die in het water ligt en deze naar de kant trekken.
ZWEMVAARDIGHEID
2
In badkleding
ZII 4.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 175 meter schoolslag, waarbij minimaal 2 keer een correct keerpunt wordt gemaakt.
ZII 5.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 50 meter samengestelde rugslag.
ZII 6.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 50 meter borstcrawl.
ZII 7.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok) met wedstrijdstart, gevolgd door 50 meter rugcrawl.
ZII 8.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 10 meter vlinderslag.
ZII 9.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water door 2 staande hoepels zwemmen die op een onderlinge afstand van 2 meter minimaal 1,5 meter onder het wateroppervlak zijn opgesteld.
ZII 10.1 In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van de voeten; proef afronden met een gehurkte draai (360°) rechtsom, uitstrekken en aansluitend een draai (360°) linksom.
ZII 11.1 In het water, met tweetallen, 4 x de bal werpen.
ZII 12.1 Starten in het water, 10 meter zwemmen met de bal met de polocrawl.
ZII 13.1 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen, op signaal 3 keer omhoog komen.
ZWEMVAARDIGHEID 3

Gekleed zwemmen
ZIII 1.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met
een sprong voorwaarts (helemaal onder water gaan); na het boven
water komen aansluitend
ZIII 1.2 al watertrappend, van een (meegenomen of toegeworpen)
plastic zak een drijfmiddel maken en hiermee 30 seconden blijven
drijven, daarna onder water gaan, de plastic zak legen, weer
boven komen en opnieuw met lucht vullen en 30 seconden drijven,
ZIII 1.3 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZIII 2.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een kopsprong, direct gevolgd door (zonder boven water te komen)
ZIII 2.2 onder water oriënteren en onder water zwemmen door een gat in een verticaal in het water hangend zeil dat zich op 9 meter van de (start-)kant bevindt, waarna (zonder boven water te komen) een pilon op 15 meter wordt aangetikt; vervolgens schoolslag tot 25 meter, daarna
ZIII 2.3 50 meter enkelvoudige rugslag, 1 keer onderbroken door twee koprollen voorover en twee koprollen achterover; daarna
ZIII 2.4 50 meter schoolslag, onderbroken door:
ZIII 2.4.1 een hoekduik, onder water door een poortje heen, een halve draai om de lengte-as maken naar rugligging en zo boven water komen;
ZIII 2.5 proef afronden met zelfstandig uit het water op de kant klimmen.
ZIII 3.1 Tweetallen. Vanaf de kant met een hurksprong te water gaan met een flexibeam of lesplankje in de hand, flexibeam of lesplankje laten vastpakken door de deelnemer die minimaal 10 meter vanaf de kant in het water ligt en deze 10 meter in rugligging naar de kant trekken.
ZWEMVAARDIGHEID
3
In badkleding
ZIII 4.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, onmiddellijk gevolgd door 200 meter schoolslag, waarbij minimaal 3 keer een correct keerpunt wordt gemaakt.
ZIII 5.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok), gevolgd door 75 meter samengestelde rugslag.
ZIII 6.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 75 meter borstcrawl, waarbij minimaal 1 tuimelkeerpunt wordt gemaakt.
ZIII 7.1 Starten in het water (handen aan stang, bassinrand of startblok) met wedstrijdstart, gevolgd door 75 meter rugcrawl, waarbij minimaal 1 keerpunt wordt gemaakt.
ZIII 8.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een startsprong, gevolgd door 15 meter vlinderslag.
ZIII 9.1 Te water gaan van de bassinrand of een startblok met een sprong naar keuze, een aantal slagen schoolslag zwemmen, onmiddellijk gevolgd door het maken van een hoekduik en daarna onder water een hoepel van de bodem optillen (deze bevindt zich horizontaal op de bodem, minimaal 2 meter diep), er doorheen gaan en vervolgens weer boven water komen.
ZIII 10.1 In het water, rugligging, handen bij de heupen, 5 meter wrikken (stuwen) in de richting van het hoofd, aansluitend een salto achterover gehurkt.
ZIII 11.1 Starten in het water, 10 meter zwemmen met de bal met de polocrawl, met z’n tweeën naast elkaar, de bal twee keer naar elkaar overspelen.
ZIII 12.1 30 Seconden ongelijkzijdig watertrappen, waarbij de bal minimaal 3 keer wordt overgegeven van de ene naar de andere hand, ruim boven het wateroppervlak. |