| Algemeen
In het
algemeen worden alleen topsporters door wetenschappelijk
geschoold personeel in daarvoor met apparaten ingerichte
zwembaden van onderzoekscentra getest op bijvoorbeeld trainingseffecten
of techniekverbeteringen.
Maar er zijn ook eenvoudige methodes die elke polotrainer
in staat stellen om, zonder extra kosten, de prestatieverbeteringen
c.q. voortgang van zijn pupillen of team te controleren.
Vijf
testen
De volgende
vijf testen kunnen gebruikt worden ter controle van de trainingsefficiëntie
c.q. prestatieontwikkeling van individuele spelers en /
of de gehele poloploeg:
- Snelheids-wendbaarheidstest.
- Snelkrachttest.
- Uithoudingsvermogentest.
- Kracht-uithoudingsvermogentest.
- Werpnauwkeurigheidstest
onder belasting.
Vergelijkingsmogelijkheden
De
testresultaten kunnen alleen met elkaar vergeleken worden
indien:
- De
randvoorwaarden en de éénmalig vastgelegde
ijkpunten (zoals afstand of mikpunten) precies gelijk
blijven.
- De
testen op dezelfde trainingsdag en op hetzelfde uur worden
afgenomen.
- De
testen door hetzelfde inzwemprogramma (inclusief rustpunten)
worden voorafgegaan.
- Tussen
inzwemmen en testaanvang een rust van 5minuten gegeven
wordt.
- Tussen
iedere testopgave 10 minuten rust gegeven wordt.
- De
5 testen steeds in dezelfde volgorde (1 t/m 5) afgenomen
worden.
- De
testen aan het begin van het trainingsseizoen en om de
minimaal 2 maanden herhaald worden. (= vast schema.)
Test
1:
Snelheids- / wendbaarheidtest
oftewel 6 x 7,5 m. test
De speler
zwemt tussen twee lijnen die op een afstand van 7,5 meter
gespannen zijn. Leg dus tussen baan 1-2 en baan 4-5 een
scheidingslijn en je hebt de exacte afstand daar iedere
zwembadbaan immers 2,5 m. breed is. Men mag zich niet afzetten
van de kant of bodem.
Bij het starten en bij elk keerpunt moet de zwemlijn met
één hand aangetikt worden.
-
Gemeten wordt de totaaltijd van de 6 x 7,5 meter afstand
tussen het loslaten en het aanraken van de startlijn na
het vijfde keerpunt.
Test
2:
Snelkrachttest oftewel 30 seconden test
Tik
met één hand een stang aan op 1.30 meter boven
het wateroppervlak.
- Geteld
worden het aantal geldige, dus aangeraakte pogingen binnen
30 seconden.
Opmerking:
Men kan ook de 1-meterplank of de 90 cm hoge pologoal gebruiken,
maar zet dan met een waterviltstift een merkstreep 30 cm,
respectievelijk 40 cm onder de vingertop op de onderarm.
Die merkstreep moet dan de plank of doellat bereiken.
Test
3:
Uithoudingsvermogentest oftewel 400 m. crawltest
Zwem
400 meter borstcrawl.
Test
4:
Krachtuithoudingstest oftewel beenslagtest
Al verticaal
alternerend watertrappend een 5 kg-halter met gestrekte
armen hooghouden.
- De
testtijd stopt als de halter zakt.
Test
5:
Werpnauwkeurigheidstest onder belasting
oftewel Dribbel - Schiettest
De
test bestaat uit twee delen.
Deel 1:
De speler start met bal vanaf de doellijn en dribbelt tot
de 6 meter lijn. Dan schiet hij direct in de linker-bovenhoek
van het doel, waar een bevestigde kurkgordel als mikpunt
geraakt moet worden.
Een medespeler op de 6 meter lijn geeft hem twee ballen
die in dezelfde bovenhoek tegen de kurken (wet-belt of pull-buoy)
geworpen moeten worden.
Dan crawlt hij zonder bal terug naar de doellijn en weer
naar de 6 meter lijn, waar hij opnieuw drie ballen van een
medespeler krijgt die dan in de rechter-onderhoek tegen
een bevestigd mikpunt geworpen moeten worden.
Deel
2:
Na dertig seconden rust wordt dezelfde opdracht herhaald,
waarbij nu eerst in de rechter-bovenhoek en erna in de linker-onderhoek
geworpen moet worden.
- Gemeten
worden de beide tijden en de getroffen doelworpen.
|